1304267_1aa

Kleurproblemen bij de roodkeelnachtegaal (Luciana Calliope) – Deel 1

Chris Steijvers

De roodkeelnachtegaal is een eenvoudig gekleurd vogeltje. Als volièrevogel (ik acht hem niet geschikt voor een kooi) moet hij het hebben van zijn gedrag en zijn zang. In veel opzichten lijkt hij op ons roodborstje. Hij is echter niet nauw aan het roodborstje verwant, hetgeen blijkt uit de wetenschappelijke naam (Erithacus rubecula). Een opvallend verschil is dat de geslachten bij het roodborstje gelijk van kleur zijn terwijl bij de roodkeelnachtegaal man en pop in kleur verschillen. De rode keel van het mannetje roodkeelnachtegaal ontbreekt bij het popje. Ook heeft de man een andere koptekening dan de pop. Wellicht hangt dit samen met een verschil in gedrag. Roodborstjes zijn fanatieke verdedigers van individuele voedselterritoria. De rode keel en borst speelt daarbij een grote rol. Alleen al het zien van een rode vlek maakt ze agressief. Bekend is dat roodborstjes daarom wel tegen een ruit pikken. Ze willen niet in huis komen, zoals in het kinderliedje gezongen wordt, maar ze vechten tegen hun eigen spiegelbeeld. Voor de avicultuur heeft dit roodborstgedrag grote gevolgen. Roodborstjes moeten individueel gehouden worden en het samenbrengen van een kweekkoppel in de voortplantingstijd gaat altijd met risico’s gepaard.

De roodkeelnachtegaal kent geen voedselterritorium. Man en pop leven in de avicultuur het gehele jaar door vreedzaam samen. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in het wild anders is. Het is natuurlijk gissen of het ontbreken van de rode keel bij de pop daarin een rol speelt. Overigens, het is normaal dat oudere poppen een roze waas aan hun keel ontwikkelen. Als ik op foto’s van wilde roodkeelnachtegalen af ga, moet ik vaststellen dat de rode keelkeur van de man ook niet altijd even intens is. Er komen allerlei gradaties in rood voor. Daarbij is het niet uit te sluiten dat de fotograaf met mij onbekende technieken de kleur manipuleert. Op zich is kleurverschil tussen wilde vogels niet ongewoon. Ik zie dat bijvoorbeeld bij het geel van de kool- en pimpelmezen in mijn tuin.

In de avicultuur kan het rood van de roodkeelnachtegaal na een rui flets oranje worden of zelfs helemaal verdwijnen. We kennen dit ook bij roodmussen, barmsijzen, kneutjes enzovoort. Nu wordt de kleur rood in vogelveren veroorzaakt door het carotenoide-pigment. Dit pigment kan niet door het vogellichaam worden aangemaakt. De erfelijke aanleg voor de rode kleur komt slechts tot uiting wanneer de vogel het juiste voer opneemt. Het komt slechts zelden voor dat het ontbreken van rood door een mutatie wordt veroorzaakt.

De vraag is dan wat het juiste voer is. Alois van Mingeroet stelt dat het voeren van perzikkruid aan barmsijzen er voor zorgt dat het natuurlijke rood van deze vogeltjes behouden blijft. Ik heb zelf de ervaring, ook op aanraden van Van Mingeroet, dat overvloedig voeren van bloemen en halfrijpe zaden van het Afrikaantje (Tagetus) voor een aanmerkelijke kleurverbetering zorgt in de maskertekening van putters. Maar dan gaat het over zaadeters. Hoe moet het bij insecteneters zoals de roodkeelnachtegaal? Ik heb mijn roodkeelnachtegalen wel aan bloemetjes en zaadjes van het perzikkruid zien pikken. Maar ik ben er niet zeker van of ze het ook opnemen. Na enige tijd is het verstrekte perzikkruid wel verdwenen. De roodkelen delen hun verblijf echter met diamantduifjes en ook die lusten onkruidzaden.  

Siegfried Kirschke schrijft in “Zuchterfahrungen mit Insektenfressern” dat bij zijn roodkeelnachtegaalmannen die hij in een kooi hield de rode keelkleur in wit veranderde. Roodkeelnachtegaalmannen in een kleine buitenvolière kregen een lichtroze keel. Alleen bij een kweekkoppel in een grote buitenvolière behield de man zijn karakteristieke rode keelkleur. Dat suggereert een verband met enkel ruimte. Die buitenvolière is echter 600 m2 groot! Het ligt voor hand dat de vogels daarin massa’s insecten vinden die van buiten de volière afkomstig zijn.   

Enige tijd geleden kocht ik een koppel roodkeelnachtegalen. De man was geboren en opgegroeid in een grote buitenvolière. Zijn keel was echter helder wit. De koptekening liet er geen twijfel over bestaan dat het om een man ging. De vogel werd in een vlucht geplaatst van 180 bij 100 bij 245 die in huis staat. Na de eerste rui veranderde het wit in een keurig rood. Bij de pop ging het geheel anders. Bij aankoop had ze een prachtige rode keel. Alleen aan de koptekening was te zien dat het een pop was. De verkoper vertelde dat hij deze pop tegen een andere pop had geruild om een onverwant koppel te krijgen. Van de omstandigheden waaronder de vogel was opgegroeid wist hij niks. Hij vermoedde dat de vorige eigenaar chemische kleurstof aan zijn jonge vogels had verstrekt. Enige tijd na de aankoop begon de vogel te kwakkelen en ze stierf voordat ze in de rui kwam. Het was te verwachten dat ze na de rui weer haar normale keelkleur zou krijgen, maar zeker weet ik dat natuurlijk niet. Overigens, man met witte keel en pop met rode keel verdroegen elkaar uitstekend, ook in de korte tijd dat de pop nog gezond was. Het lijkt dus niet aannemelijk dat de rode keelkleur een rol speelt in het gedrag. De man, die zich niet bewust is van zijn afwijkende keelkleur zou de pop, die hij op grond van haar rode keelkleur voor een man moet houden, dan immers aanvallen.

We kunnen er verder de voorzichtige conclusie uit trekken dat het verstrekken van chemische kleurstoffen aan opgroeiende roodkeelnachtegalen tot gevolg heeft dat de poppen een rode keel krijgen. Uiteraard is dat ongewenst. Het is echter ook niet juist dat het rood bij de man ontbreekt. Bij een volwassen man kan de kleur geïntensiveerd worden met behulp van chemische kleurstof. Maar is dat noodzakelijk? Aan het gebruik van deze stoffen kleven de nodige nadelen. Weliswaar is de kwaliteit ervan stukken beter dan vroeger, toen het verstrekken van dit soort middelen binnen korte tijd een dodelijke leverkwaal opleverde, maar overdosering kan nog steeds tot problemen leiden. De kanariekweker die een beetje wil meedoen op een tentoonstelling kan niet zonder chemische kleurstoffen. Men weet er daar wel mee om te gaan. Bij vruchten- en insecteneters is die ervaring toch veel minder. Zelf heb ik die middelen nooit gebruikt. En als ik dan zie dat, zoals ik hiervoor schreef, een roodkeelnachtegaal met een witte keel na zijn rui een normaal gekleurde rode keel krijgt, heb ik ook geen lust er aan te beginnen.

Maar hoe heb ik het klaargespeeld om dat rood terug te krijgen? Helaas, dat weet ik zelf niet zeker. Ik noemde eerder al het gebruik van perzikkruid. Dit heb ik in de aanloop van de rui echter niet kunnen gebruiken. In mijn tuin kwam het pas heel laat in bloei en in het veld kon ik het niet vinden. De ruige plek waar ik het altijd vandaan haalde was in opdracht van een of andere instantie opeens gemaaid. Het benodigde caroteen moet dus in een of meerdere voedingstoffen zitten die ik dagelijks verstrek.

Ik heb mijn roodkelen nog nooit fruit zien eten. Ze hebben bij mij voortdurend de beschikking over een ijzerarm universeelvoer. Verder krijgen ze bijna dagelijks kleine larven van de Afrikaanse rozenkever. Deze larven leven ondergronds van rottend blad. Het is niet waarschijnlijk dat dit een bron van caroteen is. Af en toe verstrek ik een spinnetje. Op onregelmatige tijden heb ik nimfen van de wandelende tak in de aanbieding. Die leven zelf van braamblad. Dat kan een bron van caroteen zijn. Ook de nimfen van de Afrikaanse treksprinkhaan die ik vooral in het voorjaar en de zomer voer, kunnen caroteen aanleveren. Ze eten voornamelijk tarwekiemen en gras.

Ik kan dus constateren dat bij dit menu de mannen hun natuurlijke kleur behouden c.q. terug krijgen. Een pop die bij mij al 3 keer geruid heeft, krijgt er geen rode keel van. Hooguit een in het wild ook voorkomende roze waas. Dat laat de vraag open waarom bij een gebruik van chemische carotenoïden die rode kleur naar alle waarschijnlijkheid wel bij de pop te voorschijn komt.   

Mijn waarnemingen heb ik maar bij enkele roodkeelnachtegalen kunnen doen. Alle conclusies kunnen dus slechts voorlopig zijn. Een enkele waarneming van een andere liefhebber kan deze conclusies weer teniet doen. Ik kijk dus uit naar die andere waarnemingen. Mail ze in een artikel of enkel als opmerkingen naar de site.

In een volgend artikel zal ik het hebben over een geheel ander probleem met de kleur van de roodkeelnachtegaal.

Gebruikte litteratuur:
Onkruiden, zaden, insecten en bessen voor vogels
Alois van Mingeroet
2008 Uitgeverij Vogelboekhandel J & J
ISBN 978-90-813236-1-1
Zuchterfahrungen mit Insektenfressern
Siegfried Kirschke
2004 Brune-Mettcker Druck und Verlagsgesellschaft GmbH
ISBN 3-930510-82-0
Zwarte merels, witte merels
Harvey van Diek, Hein van Grouw
2020 Uitgeverij Noordboek

ISBN 978 90 5615 670 1

Reacties zijn gesloten.